0.9.11 /

Limburg stimuleert internationalisering Voordeel halen uit grensligging (en andere praktijkverhalen)

Besturen in dynamische netwerken

De provincies zijn verantwoordelijk voor de bestuurskwaliteit van de decentrale overheden. Dit is een van hun kerntaken. En daaronder wordt steeds meer verstaan. Provincies kijken niet alleen naar hoe bijvoorbeeld gemeentebesturen of colleges van B&W hun werk doen, maar ook naar de samenwerkingsverbanden en andere netwerken waarin zij functioneren. Modern openbaar bestuur speelt zich immers steeds vaker af in uiteenlopende dynamische netwerken. Daarbij vinden tal van partijen elkaar over grenzen heen rond grote maatschappelijke opgaven.

Limburg overschrijdt grenzen

Als ergens dit grensoverschrijdend samenwerken in netwerken rond grote maatschappelijke opgaven duidelijk wordt, dan is het wel in Limburg. Sterker: het wemelt er van de grensoverschrijdende initiatieven en samenwerkingsverbanden. Logisch, want Limburg grenst voor driekwart aan Duitsland en België. En dus wil deze provincie zijn grensligging benaderen als een gegeven dat verrijkt en kansen biedt. Immers, onder invloed van internationale ontwikkelingen wordt Europa steeds belangrijker. Niet alleen economisch, maar ook bestuurlijk en politiek. Binnen deze ontwikkeling vinden overheden, netwerken, bedrijven en (kennis)instellingen elkaar steeds vaker over nationale grenzen heen om elkaar te versterken en aan te vullen. De provincie speelt daarin een actieve rol.

De rol van provincies als het gaat om
kwaliteit van openbaar bestuur

Provincies vervullen een belangrijke rol als het gaat om de kwaliteit van openbaar bestuur. Zo heeft de Commissaris van de Koning een rol bij burgemeestersbenoemingen en zijn gedeputeerde staten geschilbeslechter bij conflicten tussen gemeenten. Maar zij vervullen die rol ook door actief de samenwerking op te zoeken met andere overheden, marktpartijen en netwerken.

Grensoverschrijdend samenwerken

Limburg (met name het zuiden) ziet zichzelf het liefst als onderdeel van de Euregio waarvan bijvoorbeeld ook Aken en Luik met hun omgeving deel uitmaken. ‘Internationalisering’ maakt logischerwijs dan ook deel uit van de portefeuille van Limburgse bestuurders, zowel bij veel grensgemeenten als bij de provincie. Want in het grensoverschrijdend samenwerken zien zij een belangrijk deel van de oplossing voor de maatschappelijke opgaven die zich hier aandienen. Op veel fronten gebeurt dat al. Onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en bijvoorbeeld politie werken over de grenzen heen intensief samen. Ook inwoners gaan graag de grens over om te winkelen of uit te gaan. Het buitenland ligt immers vlakbij en de gezamenlijke munteenheid maakt het de consument makkelijk.

Bureaucratie

Maar niet op alle vlakken is grensoverschrijdend samenwerken even eenvoudig. Zo stuit het werken over de grens nog op grote bureaucratie. Nederland, België en Duitsland kennen grote verschillen in regelgeving, sociale zekerheid en pensioenregelingen bijvoorbeeld. Ook het onvoldoende beheersen van elkaars ‘vreemde’ talen werkt belemmerend. Daarnaast valt er nog veel te winnen op het gebied van grensoverschrijdend regionaal openbaar vervoer. De praktijk blijkt dus weerbarstig, ondanks alle goede intenties.

Hoog op de agenda

De provincie Limburg heeft ‘het breed verankeren van Limburg in een sterke grensoverschrijdende agglomeratie’ dan ook hoog op de agenda gezet. Onder meer in de ‘Strategienota Internationalisering’, die in 2013 het daglicht zag. Dit vanuit de gedachte dat een economisch krachtig gebied met optimale uitwisseling op de arbeidsmarkt, goede verbindingen en een aantrekkelijk landelijk gebied van betekenis is voor de gehele Euregio, en dus ook voor Limburg.



Kansenatlassen

De grote betekenis van grensoverschrijdend samenwerken onderschrijven diverse recente rapporten. Zo verschenen er in 2013 drie kansenatlassen voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg en het omringende buitenland. Daarin wordt berekend dat wanneer barrières voor grensoverschrijdend werken grotendeels zouden wegvallen, het aantal banen binnen een acceptabele reisafstand voor bijvoorbeeld Zuid-Limburg toeneemt met liefst 740.000. Let wel: dit zijn geen vacatures. Maar duidelijk wordt wel dat de arbeidsmarkt voor Zuid-Limburgers een stuk groter wordt als de huidige belemmeringen opgeheven worden.

Onderzoek in kader van MIRT


In 2014 heeft de provincie een onderzoek laten uitvoeren in het kader van het MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport). Het eindrapport laat zien dat de Euregio rond Zuid-Limburg zich manifesteert als een krachtige grensoverschrijdende agglomeratie met veel uitwisseling op het gebied van cultuur, recreatie, leisure en winkelen. Voor dagelijkse zaken als wonen, werken en leren is er door grensweerstanden echter nog geen sprake van een ‘daily urban system’. Hierdoor lopen de landen in de Euregio nog allerlei interactievoordelen mis. Opheffing van administratieve barrières zou Limburg, Nederland, België en Noordrijn-Westfalen forse sociaaleconomische winst opleveren.

Expertisecentrum ITEM

Om knelpunten aan te pakken hebben diverse partijen, waaronder de gemeente Maastricht en provincie Limburg, het expertisecentrum ITEM opgericht. Dat staat voor Institute for Transnational and Euregional Crossborder Cooperation en Mobility. Binnen ITEM worden de huidige gefragmenteerde kennis en dienstverlening op één plek samengebracht. De activiteiten van ITEM richten zich vooral op het vergemakkelijken van grensoverschrijdende mobiliteit en samenwerking. Via een wetenschappelijke en interdisciplinaire aanpak wil ITEM praktische oplossingen aandragen.
  • analyseren van grenseffecten en de verdere ontwikkeling van de euregionale arbeidsmarkt ( in samenwerking met de Benelux en de Euregio Maas-Rijn);
  • (permanent) adviseren en uitwisselen van informatie met bestaande grensinfopunten, expatdesks, Belastingdienst, SVB en andere instellingen;
  • organiseren van conferenties, trainingssessies en workshops;
  • opzetten van een database over regelgeving, rechtspraak en ‘best practices’;
  • fundamenteel en toegepast onderzoek naar actuele thema’s;
  • voeren van proefprocedures die kunnen bijdragen aan het opheffen van door grenzen veroorzaakte belemmeringen;
  • stimuleren van de internationale wetenschappelijke en politieke discussie over grensoverschrijdende vraagstukken via feiten en oplossingen.

Stimuleren van grensoverschrijdende contacten

De provincie stimuleert de grensoverschrijdende contacten tussen bestuurders in de regio. Zo brengt zij rapporten over grensoverschrijdende agglomeratievorming onder de aandacht bij lokale besturen langs beide zijden van de grens. Dat gebeurt vaak via euregiobijeenkomsten, maar ook bilateraal. De provincie organiseert regelmatig andere bijeenkomsten, evenementen en congressen waarbij lokale bestuurders uit het aangrenzend buitenland worden uitgenodigd. Omdat de bewustwording over de potentie van grensoverschrijdende samenwerking groeit, denken gemeenten en instanties in toenemende mate na over een internationale strategie.

Werken aan samenwerking

Betrokken partijen bespreken vaak samen met de provincie welke ambities realistisch en wenselijk zijn. Een voorbeeld hiervan is de wens van een Limburgse hogeschool om meer studenten stage te laten lopen over de grens. De verzekering van een student in het buitenland is te kostbaar om deze uitwisseling te organiseren. Dus bekijken de partijen samen wat op korte termijn wel haalbaar is en werken zij op langere termijn aan het weghalen van dit soort barrières. Een ander voorbeeld is het idee om de uitwisseling van ambtenaren tussen lokale besturen aan beide zijden van de grens te realiseren. Maar ook het verknopen van elkaars toeristische routes is een idee, evenals het organiseren van projecten waardoor bestuurders en ambtenaren elkaar leren kennen.

Resultaten van samenwerking

Al vele jaren zet de provincie Limburg zich in voor grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden. Dat heeft al diverse concrete resultaten opgeleverd. Een greep uit de voorbeelden:

  • AMIBM (Aachen-Maastricht Institute for Biobased Materials). Dit is een grensoverschrijdend onderzoeksinstituut waarin de RWTH-Aken en de Universiteit Maastricht gezamenlijk onderzoek verrichten naar biomedische materialen.
  • Grensinfopunt Aken-Eurode: Hier kunnen ‘grenswerkers’ terecht voor informatie en hulp bij grensoverschrijdend werken.
  • Buurtaalonderwijs: dit initiatief voorziet in ‘buurtaalonderwijs’ op de basisscholen. Zo leren kinderen in het grensgebied zich al jong in verschillende talen uitdrukken.
  • Verbeteren spoorverbinding Heerlen-Aken. Door vaker treinen te laten rijden op dit traject wordt het grensoverschrijdend werken een stuk makkelijker.
  • EPICC: dit is een grensoverschrijdende politie-informatiedienst zodat politiekorpsen aan beide kanten van de grens beter samen kunnen optrekken.
  • TTR-ELAt: Een samenwerking tussen diverse plaatsen in Nederland, Duitsland en België die het bevorderen van innovaties tot doel heeft.
“Wij proberen de Limburgers ervan te overtuigen dat we veel voordeel kunnen hebben van onze internationale ligging. Alle internationale contacten bieden ons veel mogelijkheden voor bedrijfsleven en onderwijs. Sectoren als life sciences, gezondheid, green port, logistiek, chemie zijn allemaal internationaal van belang. En dan zijn contacten met de grootste technische universiteit van Europa, die in Aken ligt, of met Leuven of met Luik, waar de grote bètafaculteiten zich bevinden, voor ons volstrekt natuurlijk. Ook op economisch gebied werken we samen met Noordrijn-Westfalen, Wallonië en Vlaanderen. Dan kun je het niet met Nederlandse provincies alleen af.”
Theo Bovens
Gouverneur van Limburg
Meer informatie
De kansenatlassen, Radiofragmenten met Theo Bovens,

Groningen versterkt openbaar bestuur Samen werken aan meer bestuurskracht

Nieuwe taken vragen om krachtige gemeenten

De maatschappelijke opgaven die zich vandaag de dag aandienen vragen nogal wat van gemeenten. De economische crisis, uitbreiding van taken, burgers en bedrijven die een hoog serviceniveau verwachten: dat vereist een robuust lokaal bestuur. In Groningen, dat 23 gemeenten telt, werken gemeenten en provincie al enige jaren aan versterking van de kwaliteit van het bestuur. De provincie heeft daarin een stimulerende, sturende en soms regisserende rol.

Meer dan samenwerking is nodig

De hoge werkloosheid, sociale problematiek, het vraagstuk van bevolkingsdaling, het 'beven' van de bodem: in Groningen komt nogal wat op de gemeenten af. Om die opgaven het hoofd te bieden zijn sterkere gemeenten nodig en een actiever regisserende provincie. Provincie en gemeenten gingen daarom met elkaar al in 2005 het gesprek aan over kwaliteit van het openbaar bestuur in de provincie. Ook werden er diverse zogeheten bestuurskrachtonderzoeken uitgevoerd. Op basis daarvan kozen de gemeenten er in 2009 voor om in een aantal ‘clusters’ intensiever met elkaar samen te werken. Ook werd met de provincie afgesproken om van deze samenwerking na een paar jaar de balans op te maken. Daaruit kwam in 2012 naar voren dat er méér dan alleen samenwerking nodig was om ook in de toekomst alle taken aan te kunnen.

Provinciebreed proces

De gemeenten en provincie zijn vervolgens een gezamenlijk proces gestart om vorm en inhoud te geven aan versterking van het openbaar bestuur in de provincie Groningen. Uiteraard is de kwaliteit van het lokale bestuur in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de gemeenten zelf. Maar ook de provincie heeft een verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het openbaar bestuur op decentraal niveau. Uniek voor Nederland was dat dit proces provinciebreed werd ingestoken én dat gemeenten en de provincie daarin samen optrekken.

Onafhankelijk advies: Grenzeloos Gunnen

Provincie en de Vereniging van Groninger Gemeenten (VGG) besloten een ‘visitatiecommissie’ in te stellen onder aanvoering van oud-commissaris van de Koningin in Overijssel Geert Jansen. Die bracht op basis van tal van gesprekken in februari 2013 een onafhankelijk advies over de bestuurlijke organisatie in Groningen uit: “Grenzeloos Gunnen”. De commissie adviseerde te komen tot een herindeling naar zes gemeenten en tegelijkertijd het lokale bestuur dichtbij burgers te organiseren. Ook meende de commissie dat een andere bestuurscultuur gewenst was. Verder luidde het advies dat ook de provincie moet kijken naar de eigen rol als ‘terugtredende overheid’ en als 'strategische agendasetter'. De verhouding tussen provincie en gemeenten is immers heel anders wanneer het niet meer om 23 veelal kleine, maar een beperkt aantal nieuwe grote gemeenten gaat.

Maatschappelijke partners

Om tot haar visie te komen legde de commissie Janssen het oor bij tal van partijen te luister. Niet alleen bij gemeenten, maar ook bij andere maatschappelijke partners, bijvoorbeeld bij werkgevers. Lambert Zwiers, directeur VNO-NCW Noord, is blij met de voorgestelde herindeling: “We hebben een kwalitatief goed bestuurlijk Noord-Nederland nodig. Een gesprekspartner die goed ingevoerd is in de belangen en mogelijkheden voor het bedrijfsleven is van grote waarde. Grote gemeenten hebben meer slagkracht om bedrijven te bedienen.”

VNO-NCW liet onderzoek doen naar regio’s in Noord-Nederland. Die studie bood de organisatie vervolgens aan de provincie en de gemeenten aan, als bijdrage aan het debat. Het belangrijkste advies was de stimulerende rol die de provincie moest pakken om de bestuurlijke schaalvergroting te realiseren. En daarnaast: probeer gemeenten te vormen die samenhang vertonen vanuit diverse invalshoeken. Zwiers: “Een sterke centrumplaats - daar waar het ziekenhuis is, waar de scholen staan - helpt bij het creëren van eenheid: ‘de verzorgende rol ten opzichte van het omliggend gebied’. En een gebied met een eigen gevarieerd bestuur is beter in staat de toekomstopgaven het hoofd te bieden”.

Meer en minder gemeenten

Hoeveel gemeenten Nederlandse provincies tellen varieert sterk. In sommige provincies, zoals Drenthe en Zeeland, is dat aantal via herindelingen in de afgelopen jaren verkleind of was - zoals in Flevoland - het aantal gemeenten altijd al klein. Zo telt Flevoland 6 gemeenten, Drenthe 12 en Zeeland 13. De provincie Noord-Brabant kent 66 gemeenten, Zuid-Holland 60, Gelderland 54 en Noord-Holland 51. Groningen zit daar nu met 23 gemeenten tussenin. Totaal telt Nederland per 1 januari 2015 393 gemeenten.

Het vervolg op het advies

Als bouwstenen voor het advies Grenzeloos Gunnen is gebruikgemaakt van de ‘clusterevaluaties’ van de gemeenten en de zogeheten 'vlekkenkaarten' van de provincie. In deze vlekkenkaarten werd in grote lijnen aangegeven wat de situatie is en wat logische sociaal-maatschappelijke en anderszins denkbare oplossingen zijn. Sinds het verschijnen van Grenzeloos Gunnen in februari 2013 zijn de Groninger gemeenten samen met de provincies druk bezig geweest met het advies van de commissie. Gemeenten beraadden zich ondertussen over de eigen keuzes hierin en – bijvoorbeeld – de voorkeur voor eventuele fusiepartners.

Uitslag raadsverkiezingen van invloed

Wat exact de uitkomst zal zijn is begin 2015 nog niet helemaal duidelijk. Diverse gemeenten hebben alternatieve herindelingsvarianten onderzocht. Ook gaf de uitslag van de raadsverkiezingen in 2014 een bijzondere wending aan het proces omdat de voorkeuren van sommige oude gemeentebesturen daarna door de nieuwe werden genuanceerd. De provincie bewaakt ondertussen vooral de voortgang, omdat de ingangsdatum voor de nieuwe situatie 1 januari 2018 is. Dan moet het lokale bestuur in de provincie ‘op sterkte’ zijn om de toekomstige uitdagingen aan te kunnen.

“De provincie heeft de juiste balans gevonden tussen draagvlak van onderop en een stukje regie van bovenaf. En met een duidelijke tijdsplanning. Als zo’n proces doorsukkelt is het dodelijk, dan kan je het maar beter halverwege afkappen”
Lambert Zwiers
Directeur VNO-NCW Noord

Utrecht is vooral ‘netwerkpartner’ Transitie jeugdzorg als voorbeeld voor andere taken

Verbindend partner voor de bestuurskwaliteit

Sinds jaar en dag hebben provincies een verantwoordelijkheid als het gaat om de kwaliteit van het bestuur van decentrale overheden. Niet zozeer door hierop streng toe zien, maar vooral door zich als verbindend partner op te stellen. Een rolopvatting dus die past in de huidige netwerksamenleving. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het kader van de decentralisaties in het sociale domein. Door deze decentralisaties zijn veel extra taken bij de gemeenten terechtgekomen, zoals de WMO en Jeugdzorg. Dit laatste was tot eind 2014 een taak voor de provincies. Mede vanuit hun zorg en verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het decentrale bestuur droegen én dragen provincies actief bij aan een goede overdracht van deze taak op de gemeenten.

Utrecht liep voorop

Op 1 januari 2015 was de transitie van de jeugdzorg van provincies naar gemeenten een feit. De provincie Utrecht ging hierin voorop. Al in januari 2014 – dus een jaar vóór de officiële decentralisatie – droeg de provincie de jeugdzorg aan de Utrechtse gemeenten over. En toch bleef de provincie eindverantwoordelijk. Een proces dus van loslaten enerzijds en de controle niet verliezen anderzijds. Verantwoordelijk voor deze operatie was, namens de provincie, gedeputeerde Mariëtte Pennarts. Zij legt uit: “We liepen liever wat meer risico, dan dat we een heel stroperig, moeizaam traject zouden krijgen. Alleen door gemeenten ruimte te geven en ervaring te laten opdoen bereik je een goede overdracht. We faciliteren en verbinden, maar laten de keuzes waar deze vooral liggen: bij de gemeenten die ermee aan de slag moeten.”

Rol van de provincie bij de overdracht

Bij de decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten zorgden provincies voor een goede overdracht van alle taken. Liefst geleidelijk, zodat gemeenten alvast konden wennen aan hun nieuwe rol. De rol van de provincie was tweeledig: de provincie moest haar taken en verantwoordelijkheden zo goed mogelijk overdragen aan gemeenten. Daarnaast kon zij als ketenregisseur de samenwerking tussen de partijen stimuleren en wijzen op kansen en risico’s.

Provincie sorteert voor

Pennarts vertelt hoe de provincie Utrecht de afgelopen jaren al heeft voorgesorteerd op de overdracht: “We hebben bijvoorbeeld de ‘zware’ zorg (opname in een instelling) verkleind door de oplossingen vaker te zoeken in lichte zorg. Ook hebben we een uitstroomgerichte financiering ingevoerd en gezorgd voor ruimte voor experimenten.” Daarnaast zorgde Pennarts ervoor dat alle partijen die iets met jeugdzorg te maken hadden, elkaar leerden kennen. “Dat bevorderde een goede onderlinge samenwerking op het moment dat gemeenten de jeugdzorgtaken op zich namen.”

Gemeenten graag trekker

Ook de gemeenten in de provincie Utrecht bereidden zich intussen voor op hun nieuwe rol. Sterker: in een gezamenlijke brief aan de provincie schreven ze dat zíj daar graag de trekker in wilden zijn. ‘Praat niet over ons, maar mét ons’, was het niet mis te verstane signaal. Mariëtte Pennarts nam het signaal ter harte. Samen met alle wethouders heeft zij een Transitieagenda opgesteld. Met als onderliggende afspraak: de gemeenten handelen, de provincie is verantwoordelijk tot het moment van overdracht. Gemeenten kregen ondertussen wel de ruimte om zo snel mogelijk al praktisch aan de slag te gaan met de organisatie, inclusief experimenten om al in een vroeg stadium ervaring op te doen.

Zes regio’s

Omdat gemeenten vaak te klein zijn om geheel zelfstandig de jeugdzorg op zich te nemen, vormden zij in Utrecht zes verschillende regio’s waarin zij intensief samenwerken. Elke regio moest zelf een ‘regionaal transitiearrangement’ afsluiten, oftewel: afspraken maken met de zorgaanbieders in de regio. Monique Peltenburg, voorzitter van de ambtelijke stuurgroep transitie jeugdzorg en directeur bij de gemeente Amersfoort: “Dat is niet alleen een impuls geweest voor de regionale samenwerking, we hebben er in Utrecht ook een basis mee gelegd voor de samenwerking tussen de regio’s. Die bovenregionale samenwerking heeft z’n grote waarde inmiddels bewezen.”

Geen eenvoudig proces

Volgens Peltenburg was het geen eenvoudig proces, maar, stelt ze: “Het samen optrekken van gemeenten en regio’s met de provincie was van doorslaggevende waarde bij de voortgang die in onze provincie geboekt wordt. Evenals het vroege begin van het transitieproces. En omdat het goed loopt, putten we er ook weer energie uit voor de volgende stappen die we moeten zetten.”

Provincie blijft betrokken

Peltenburg is enthousiast over de rol van de provincie in het proces. “Die heeft alle ruimte gegeven aan de gemeenten en de regio’s om de beweging naar voren te maken. Ruimte om ons te kunnen voorbereiden, maar ook om te experimenteren. Daardoor konden wij in de praktijk al oefenen met de situatie die formeel pas na inwerkingtreding van de wet aan de orde zou zijn. Door samen met de nieuwe taken en werkwijze te oefenen en onze krachten te bundelen konden we ons in de zes regio’s van de provincie Utrecht goed voorbereiden op de transitie jeugdzorg. Daaraan heeft de provincie een belangrijke bijdrage geleverd.”

Pennarts gelooft dat de manier waarop de provincie vorm heeft gegeven aan de overdracht van de jeugdzorg ook als voorbeeld kan dienen voor andere provinciale taken: “Wij kunnen als provincie onze toegevoegde waarde bewijzen in het verbinden van partijen. Als middenbestuur hebben we de ideale schaalgrootte om deze rol in te vullen.” Overigens laat Utrecht gemeenten en zorginstellingen ook ná de overdrachtsdatum niet aan hun lot over. “Zij worden ook in 2015 volop ondersteund”, aldus Pennarts. “We blijven de regio’s bezoeken, vragen waar de knelpunten zitten en we vragen waarmee we hen kunnen helpen. De kennis die we hebben, willen en zullen we delen.”

De vier stappen van de provincie Utrecht voor het overdrachtsjaar:

  • Gemeenten namen in 2014 al delen van de jeugdzorg over, zoals de toegang en de ambulante zorg. Dit deden zij in nauwe samenwerking met zorgaanbieders, BJU en de provincie. Zo hadden zij meer tijd om de transitie voor te bereiden en bijvoorbeeld al invloed uit te oefenen op de instroom in de (specialistische) jeugdzorg.
  • Met alle Utrechtse gemeenten is in 2013 een gezamenlijke Transitieagenda opgesteld waarin afspraken zijn gemaakt over: regionale samenwerking en risicodeling, financiering, sturing en inkoop, informatievoorziening, inrichting van zorg en cliëntenparticipatie.
  • De provincie en alle Utrechtse gemeenten hebben een gezamenlijke overlegstructuur ingericht op zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau. Doel is kennisdeling en het maken van samenwerkingsafspraken.
  • Het Kennisnetwerk van de provincie Utrecht zorgde voor een zorgvuldige overdracht van de Utrechtse jeugdzorg aan gemeenten.
“Om een goede overgang te realiseren waren visie, innovatie én een goede voorbereiding noodzakelijk. Het is mijn ambitie geweest om alles in het werk te stellen om de gemeenten hierbij te ondersteunen. De transitie was een proces met nog veel onduidelijkheden. Dat vroeg om een goede uitwisseling en afstemming. Daarom was het belangrijk dat we de handen ineen hebben geslagen om maximaal rendement te halen en te voorkomen dat onnodige energie verspild werd aan voortdurend het wiel opnieuw uitvinden.”
Mariëtte Pennarts
Gedeputeerde
Meer informatie
www.rijksoverheid.nl
www.voordejeugd.nl
www.provincieutrechtmagazine.nl

Terug naar de overzichtskaart

live!